Op één bank zitten twee generaties Gosselaars waaraan je meteen ziet dat ze niet alleen lijken op elkaar door een bloedband maar ook door een soort stille verstandhouding. Frits en Fieke Gosselaar, vader en dochter, beide meester in de rechten en tegelijkertijd totaal verschillend in hoe ze zich uitdrukken. Waar vader een kring van mensen om zich heen kan verzamelen om zijn verhalen aan te vertellen, strooit dochter met woorden in een van haar vele boeken en dichtbundels. In