top of page

“Zo, nu kan ik rustig doodgaan” Cees Stolk en het teruggeven van verhalen

Joshua Noteboom
20 mrt
4 minuten om te lezen

“Ik kom niet van het Groninger land. Ik kom uit de Betuwe.” Cees Stolk, een jongen uit een streng calvinistisch dorp, “in de slipstream van de Bijbel,” waar zijn toekomst al min of meer vastligt.

Oudere man met bril glimlacht in een warme woonkamer vol boeken, terwijl hij een mok vasthoudt.

“Ik kom uit een dominee’s familie. Drie ooms waren dominee, twee neven en ik zou het ook worden volgens mijn ouders.” Maar het liep anders. “Kees werd geen dominee. Kees wou archeoloog worden.”

Hij lacht. Je hoort nog steeds de jongen die gefascineerd was door verhalen uit een andere tijd. “Ik was helemaal in de ban van mythologie, Romeinen, Grieken, Egyptenaren… en ik slurpte die verhalen op.”


Hij wilde graven. Op zoek naar wat er onder lag. Alleen: dat plan strandde.

“Ik wou ook daadwerkelijk opgravingen doen, maar mijn leraar zei: ik heb nog geprobeerd je een herexamen te geven… maar jij moet eigenlijk journalist worden.”

Journalist. “Waar ik dus nooit aan gedacht had.”


“Ga tussen de mensen liggen”

Hij ging toch. Naar de School voor Journalistiek. “En in mijn beleving leerde ik er te weinig.” Hij kreeg een contract aangeboden na zijn stage. “Toen ze zeiden: ‘wil je niet in vaste dienst komen?’ Dacht ik: één en één is twee. Tabee school. Ik ga de praktijk in.”


Die praktijk vormde hem. Bij het Brabants Dagblad maakte hij met collega’s een verhaal over werklozen. “Wij dachten: wat betekent werkloosheid nou voor iemand? Dus we maakten portretten van vier mensen.” Het stuk kwam op zaterdag in de krant. “En maandag kwam de hoofdredacteur binnen en zei: ‘nu glijden wij af naar het banale.’”


Hij kijkt nog steeds verbaasd. “Toen gingen bij mij de ogen open. Ik dacht: banaal? Dit is menselijk.” Collega’s vertrokken, Cees ook. Hij wilde een andere kant op. Niet van bovenaf geschreven, maar van binnenuit.


Dat nam hij mee naar de Winschoter krant. “Toen zei mijn chef: ga niet alleen naar die bedrijfsbezetting in Nieuweschans… ga ook tussen de mensen liggen en maak daar een reportage van.”


“Dat was een heel andere kijk op journalistiek dan ik gewend was.”

“Ik sprak geen woord Gronings”

Cees kwam als buitenstaander. “Ik was een nobody.” En hij sprak de taal niet. “Ik sprak geen woord Gronings, dus ik schreef alles fonetisch op. Dat werd dan vertaald door een andere collega.”

Maar hij merkte iets. “Als jij een beetje Gronings praat, dan praten zij makkelijker.” Hij leert Gronings, komt mensen tegemoet. Niet door afstand te houden, maar door mee te bewegen.


“Eigenlijk had ik mijn vader meer moeten vragen”

Er zit nog iets onder. Zijn vader sprak nooit over de oorlog. “Bij Sliedrecht zei hij één keer: ‘hier hebben de moffen mij gepakt…’ en dan zei mijn moeder: ‘hou je mond, laat het verleden rusten.’”

En zo bleef het stil. Tot Cees later brieven onder ogen kreeg. Uit kamp Amersfoort. “Toen dacht ik: potverdorie… mijn vader heeft daar gestaan. Op appèl.”


Even stil.


“Eigenlijk had ik mijn vader veel meer moeten vragen en dat heb ik verzuimd. Nu vertel ik de verhalen van anderen, zodat ze zichtbaar worden en een gezicht krijgen.” Hij herhaalt: “Ja, dat vind ik belangrijk.”


De hel van Jipsinghuizen

Het begint met een gesprek in een tuin. Cees was de weerbarstige grond niet gewend. Een arbeider: “Ik zal die wel eem helpen, mien jong! Dat is veur mie logisch waark.”

Makkelijk? Cees had er bewondering voor. “Maar hij zei: Jipsinghuizen… dat was veel erger.” Cees kende het niet. “Toen dacht ik: hé? Die geschiedenis ken ik niet.” Wat volgt is een verhaal dat onder de grond lag.


“Duizenden werklozen gingen naar Jipsinghuizen… moesten met de schop het land omspitten. Een meter diep. Ze worstelden zich met die spade de grond in, kregen bloed in de handen en dan werd er gezegd: ‘werk maar door, het bloed wordt vanzelf eelt.’ Dat was slavenarbeid.”

Hij beschrijft het leven van die arbeiders. “Maandagochtend met de tram… de hele week zwoegen… met dertigen in een barak… en zaterdagmiddag terug. Dan zat Grietje thuis: ‘met hoeveel komt Jan thuis?’”


Het antwoord was onzeker. “Dat hing af van hoeveel grond hij had verzet.”


“Met een tientje… als je goed was twaalf en een halve gulden… maar vaak minder.” Voor een hele week werk. “Ze moesten merken dat ze werkloos waren.”


“Nu staat mijn verhaal op papier”

Hij schrijft erover. Eerst in de krant. De reacties zijn overweldigend. “Er kwamen zoveel reacties dat de hoofdredacteur zei: je moet er een boek over schrijven.”


Het boek verkoopt goed. Vijf drukken en nog meer reacties. Wat blijft hangen, is één zin. “Een arbeider zei: ‘Zo, nu kan ik rustig doodgaan. Nu staat mijn verhaal op papier. Mijn waarheid.’ Het was net een zweer die openbarstte… ze waren eindelijk gehoord.”


Hij is bescheiden. “Ik geef geen oordeel, ik noteer.” Maar tegelijk is het alles.

“Ik geef die mensen hun geschiedenis terug.”



Wat opvalt: hij kiest geen kant.

“Ik heb niet alleen de arbeiders beschreven, maar ook de boeren, de zoon van de rijksinspecteur… ik wilde een palet samenstellen.” Geen zwart-wit. Niet veroordelen, maar laten zien.


En steeds die drijfveer:

“Geschiedenis wordt van bovenaf geschreven, maar hoe mensen het zelf beleefd hebben, staat niet eens in een voetnoot.” Hij schrijft dus van onderaf. “Het gaat erom dat ieder mens gezien wil worden.”


“De beste ambassadeur is een niet-Groninger”

Ondertussen is hij zelf geworteld geraakt in Groningen. “Ik was hier een nobody, ik kende niemand.” Maar juist daardoor keek hij anders. “Ik hoorde: ‘Het was niks, is niks en wordt niks.’ Als je je daarbij neerlegt wordt het ook niks…”

Hij probeert dat zichtbaar te maken. “Een landschap kan geen ‘au’ zeggen. Kijk naar je omgeving. Groningen heeft vijf landschappen… elk met een eigen geschiedenis. En kijk bijvoorbeeld naar de mooie kerkorgels.”


“Ik heb wel eens gezegd: de beste ambassadeur voor Groningen is een niet-Groninger.”

Wat blijft

Aan het eind is het niet ingewikkeld meer. “Ik kan toevallig schrijven,” zegt hij. Maar wat hij ermee doet, is helder. “Ik geef mensen hun geschiedenis terug.”


Zodat iemand kan zeggen: “Nu staat mijn verhaal op papier.”


Bert op de Kovvie is een televisieserie waarin Bert door het Groningerland reist op zoek naar het geloof in Groningen. Onder het genot van ’n bakkie Kovvie delen Grunnegers hun verhalen en inzichten.


Bekijk de volledige aflevering op YouTube of Spotify:



Opmerkingen


Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe gasten & updates van Bert op de Kovvie.

bottom of page